Wat meten nuchtere en postprandiale suiker?
· 3 min
Begin hier · 5 van 12

De nuchtere suiker meet het niveau dat het lichaam op eigen kracht vasthoudt als er geen maaltijd in het spel is. De suiker na het eten laat zien hoe snel je een aangeboden last opruimt. De twee zijn geen twee uren van hetzelfde, maar twee aparte vaardigheden.
Het getal dat je ’s ochtends als eerste meet komt van de lever in de nacht. De lever geeft de hele nacht glucose aan het bloed af; de basale insuline remt die afgifte. Het ochtendgetal laat precies het evenwicht tussen die rem en dat gas zien. Dat is ook de omschrijving van een nuchtere meting: een nacht waarin er urenlang geen calorie binnenkwam. Water bederft dat venster niet, koffie met melk wel.
De meting na het eten stelt een heel andere vraag. Als brood of rijst van de maag naar de darm gaat, komt er snel glucose in het bloed. De alvleesklier antwoordt met een vroege golf insuline. Het spierweefsel trekt de binnenkomende glucose naar zich toe. Wordt hetzelfde bord snel gegeten, dan loopt de maag snel leeg en stijgt de last steil het bloed in. Langzaam eten maakt de curve breder. De reflex van de spier na de maaltijd bepaalt het getal grotendeels. Ook de snelheid waarmee de maag leegloopt telt mee. De darmhormonen mengen zich er eveneens in.
Elke meting vangt een ander mankement. Het onderzoek van Kanat e.a. uit 2012 deelde 172 mensen in het bereik van prediabetes in drie groepen in. Na correctie voor insulineresistentie bleek iets opvallends. Bij wie een nuchtere waarde op de grens had was de vroege golf insuline zwak. De late golf was niet gedaald maar zelfs toegenomen. Bij wie een waarde na het eten op de grens had was ook de late golf zwak. Een overzicht in het tijdschrift Diabetologia trekt dezelfde scheidslijn van een andere kant. Een hoge nuchtere waarde wijst vooral op doofheid van de lever voor insuline. Een hoge waarde na het eten wijst op doofheid van de spier. Een nieuw onderzoek in datzelfde tijdschrift voegt eraan toe dat ook het glucagonmechanisme aandeel heeft in de hoge nuchtere waarde.
| Vergelijking | Nuchtere meting | Meting na het eten |
|---|---|---|
| De vraag die hij stelt | Waar ligt de bodem zonder eten? | Wordt de last opgeruimd? |
| Het orgaan op het toneel | De lever en de basale insuline | De vroege golf van de alvleesklier, de spier |
| Het overheersende mankement | De lever is doof voor insuline | De spier laat de glucose niet binnen |
| Wanneer de teller begint | Bij de laatste calorie van de nacht | Bij de eerste hap van de maaltijd |
Dat de getallen elkaar niet dekken is daarom geen uitzondering. In Koeweit werd een kleine klinische reeks van 43 mensen bekeken. Driekwart van wie met het criterium na de belasting een diagnose kreeg bleef nuchter onder de grens. Dezelfde persoon, dezelfde ochtend, een ander antwoord. De auteurs stelden voor naar beide criteria samen te kijken. In de praktijk van vandaag stelt elk criterium op zichzelf de diagnose.
De vraag welke van de twee belangrijker is, is eigenlijk verkeerd gesteld.
- Is nuchtere suiker belangrijker of die na het eten?
- Omdat ze verschillende organen meten neemt de een de plaats van de ander niet in. Het ochtendgetal vertelt over het nachtwerk van de lever; het getal na de maaltijd over de reflex van de spier. Er een kiezen betekent een van de vragen nooit stellen.
- Wat betekent nuchter precies?
- Dat je er urenlang geen calorie voor hebt binnengekregen. Zodra er melk of suiker in je koffie gaat, sluit dat venster. Water zonder meer houdt het venster open.
- Wanneer begint de teller bij een meting na het eten?
- Bij de eerste hap, niet op het moment dat je de vork neerlegt. Ook bij de diagnostische tests loopt de teller vanaf het innemen van de last. Het aflezen gebeurt op het tweede uur.
- Is het een meetfout als de een goed en de ander slecht uitvalt?
- Meestal niet. Onderzoeken die laboratoriummetingen vergelijken laten zien dat de twee criteria verschillende mensen aanwijzen. Meet je thuis, dan is het nakijken van meter en strips wel de eerste stap.
Bronnenlijst
- Kanat M, Mari A, Norton L, Winnier D, DeFronzo RA, Jenkinson C, Abdul-Ghani MA. Distinct beta-cell defects in impaired fasting glucose and impaired glucose tolerance. Diabetes. 2012;61(2):447-453. doi:10.2337/db11-0995
- Faerch K, Borch-Johnsen K, Holst JJ, Vaag A. Pathophysiology and aetiology of impaired fasting glycaemia and impaired glucose tolerance: does it matter for prevention and treatment of type 2 diabetes? Diabetologia. 2009;52(9):1714-1723. doi:10.1007/s00125-009-1443-3
- Kohlenberg JD, Laurenti MC, Egan AM, Schembri Wismayer D, Bailey KR, Cobelli C, Dalla Man C, Vella A. Differential contribution of alpha and beta cell dysfunction to impaired fasting glucose and impaired glucose tolerance. Diabetologia. 2023;66(1):201-212. doi:10.1007/s00125-022-05794-3
- Parappil A, Doi SAR, Al-Shoumer KAS. Diagnostic criteria for diabetes revisited: making use of combined criteria. BMC Endocrine Disorders. 2002;2:1. doi:10.1186/1472-6823-2-1
Volgende: Wat is HbA1c en waarom heet het driemaandelijks? →